De eerste Elfstedentocht na de bevrijding
Tussen de Elfstedentocht van 1942 en die van 8 februari 1947 had Nederland vijf jaren van oorlog, bezetting, Hongerwinter en wederopbouw doorgemaakt. Toen het ijs in de winter van 1946-1947 dik genoeg lag, was de tocht méér dan een sportief evenement. Hij gold als een terugkeer naar wat vertrouwd was: een vrije ronde langs de elf Friese steden, op een dag, op eigen kracht.
De winnaar werd Jan van der Hoorn, in een tijd van tien uur en eenenvijftig minuten. Hij behoorde tot de generatie schaatsers die door de oorlogsjaren weinig hadden kunnen wedijveren, maar hun conditie hadden bewaard.
Een tocht in een land in wederopbouw
Friesland was minder zwaar getroffen door de oorlog dan delen van west-Nederland, maar ook hier was de schaarste merkbaar. Eten, materiaal en kleding waren niet vanzelfsprekend. De organisatie van de tocht stond voor de uitdaging om alles met beperkte middelen rond te krijgen.
Toch trok de tocht een groot deelnemersveld. Voor velen voelde meedoen als symbolisch: vijf jaar geen vrije Elfstedentocht, en nu weer wel. Langs de route stonden mensen in dichte rijen, vooral in de doorkomststeden. De aankomst in Leeuwarden was rumoeriger dan in de oorlogsjaren, met een meer uitgesproken feestelijke ondertoon.
Wie was Jan van der Hoorn?
Van der Hoorn was geen Fries, maar een schaatser uit het westen van het land. Hij had ervaring op de lange afstanden en behoorde tot het type rijder dat consequent doorrijdt zonder schokkende versnellingen. Op een dag met wisselend ijs en wat wind paste die rijstijl goed.
Zijn winnaarstijd — tien uur en eenenvijftig minuten — lag boven de snelle tijden van vlak voor de oorlog. Dat is verklaarbaar door de minder gunstige condities en het feit dat de tocht in 1947 voor een groot deel werd gereden op ijs dat door wind tijdens het bevriezen ruwer was geworden dan in 1942.
Symboliek en sport
De tocht van 1947 had vanaf het begin een symbolische lading. Voor de Vereniging De Friesche Elf Steden was het van belang dat de tocht in een sfeer van herstel werd verreden, zonder de geforceerde feestvreugde van een staatsevenement. Dat lukte. De huldiging was warm maar ingetogen, en de doorkomstcafés werkten met de middelen die voorhanden waren.
Voor de tochtrijders was het herinneringskruisje opnieuw het doel. Voor de hardrijders ging het, zoals altijd, om de snelste tijd. Beide groepen reden tegelijk op het ijs — een combinatie die sinds de allereerste tocht een vast kenmerk is van de Elfstedentocht.
Het deelnemersveld na vijf stille jaren
Het deelnemersveld in 1947 telde een opmerkelijke mix van generaties. Aan de start verschenen zowel rijders die voor de oorlog al meededen — al dan niet eerder als winnaar — als nieuwe gezichten die in de oorlogsjaren waren opgegroeid en getraind onder bemoeilijkte omstandigheden. Voor sommigen van die jongeren was 1947 hun debuut op een Elfstedentocht.
Die generatiemix maakte de tocht inhoudelijk interessant. Tactisch reden de ouderen behoudender, de jongeren feller. Voor de hardrijderswedstrijd was Van der Hoorns aanpak — ervaren, gelijkmatig, niet snel uit balans — uiteindelijk doorslaggevend. Maar in het achterveld werd zichtbaar dat de naoorlogse schaatswereld bezig was zichzelf te vernieuwen. Binnen tien jaar zouden namen als Jeen van den Berg, die in 1954 zou winnen, het beeld bepalen.
Verslaggeving en publiek in 1947
Voor het eerst sinds 1942 stonden er weer grote groepen publiek langs de hele route. In dorpen die nauwelijks meer gewend waren aan publieke evenementen, kwamen mensen uren van tevoren aan om plek te zoeken. De aankomst in Leeuwarden was uitgesproken druk, met menigtes op het Zaailand en rond het stadhuis.
De schrijvende pers van die dagen had nog moeite met papier en drukinkt, maar de tocht kreeg desondanks ruim de kolommen. Voor de Friese kranten was 1947 een hoofdartikel waardig; voor de landelijke pers minstens een prominente plek op de sportpagina. De radio deed verslag van doorkomsten, en de eerste fotoreportages uit Friesland werden via krantenwagens naar Amsterdam en Rotterdam vervoerd. Van der Hoorns naam stond binnen een dag in vrijwel alle Nederlandse huiskamers vermeld, op een manier die voor de oorlog ondenkbaar was geweest.
Bevoorrading in een tijd van schaarste
Een vaak vergeten detail van 1947 is hoe lastig de bevoorrading langs de route te organiseren was. Voedsel zat nog op de bon, koeken en suiker waren beperkt verkrijgbaar, en de winkels in de doorkomststeden hadden weinig voorraden. Vrijwilligers brachten wat ze hadden — soms zelfgebakken roggebrood, soms erwtensoep uit eigen keuken — en deelden dat uit aan rijders die er behoefte aan hadden.
De tochtrijders zelf brachten meestal het meeste mee in eigen jas of rugzak. Familie aan de kant met thermoskannen was er weer, voor het eerst sinds 1942. Voor velen voelde dat warm en vertrouwd, een teken dat het normale leven langzaam herstelde. De tocht werd, op een ingehouden manier, een markering van die terugkeer.
Plaats in de geschiedenis
De tocht van 1947 markeert het einde van wat we de vooroorlogse en oorlogsperiode van de Elfstedentocht kunnen noemen. Hierna zou het zeven jaar duren voor de volgende editie, in 1954, mogelijk werd. Die tocht zou worden gewonnen door Jeen van den Berg, en met een tijd die opnieuw onder de tien uur dook — lees daarover in het verhaal over de Elfstedentocht van 1954.
Van der Hoorn zou de Elfstedentocht niet nog eens winnen, maar zijn naam staat sinds 1947 vast in elk overzicht van alle winnaars als de man die de eerste naoorlogse editie op zijn naam zette.